Selecteer een pagina

Theo van Doorn (1929 – 2014)

Uit: Jubileumuitgave 75 jaar Fanfare Sint Lambertus – Heemkundekring Lith

Marinus van Doorn (5 september 1885 – 22 januari 1961) was een enthousiast lid. later bestuurder en lid van de Commissie van Beheer van fanfare Sint Lambertus te Lith. Zijn instrument was zijn eigendom, hij wist twee zonen warm te krijgen voor deze fanfare en het gebeurde zo goed als nooit, dat hij een repetitie, serenade of festival oversloeg. Hij genoot zo van de serenades aan anderen. maar ook die aan hem en zijn vrouw, gebracht bij hun zilveren en robijnen huwelijk. Op zijn gedachtenisprentje stond terecht de fanfare verliest in hem een ijverig medewerker.

De tuba
In juni 1921 werd de fanfare Sint Lambertus opgericht. Hooguit een jaar later, misschien wel vanaf het begin was Marinus lid van dit muziekkorps. De dirigent vroeg was hem, of hij ventieltrombone wilde blazen. De buis van zo’n trombone is zo gewonden, dat de stukken grotendeels evenwijdig lopen, in tegenstelling met de rondgewonden hoorn; en die buis is weer langer dan de trompet. Je moest er, en dat begreep Pa maar al te best, steviger voor blazen. Daar voelde hij niet zo veel voor. Daarom zei hij: ”Ik wil eigenlijk geen trombone, ik blaas liever op een tuba”. Maar dat instrument had de fanfare niet. “Dan koop ik hem zelf toch”, dacht hij bij zichzelf.

Hij nam contact op met de muziekinstrumentenfabriek H.Schenkelaars te Eindhoven. Op een zaterdagmiddag bracht Schenkelaars zelf de gloednieuwe tuba op de fiets van Eindhoven naar Lith. De prijs, 85 gulden, was een heel bedrag in 1921 en zeker voor een nog maar net één jaar gehuwde. De tuba behoort bij het groot koper en zit wat het geluid betreft tussen een bas en een bariton, heeft men mij verteld. En wat me bij die mededeling trof, was dat dit blaasinstrument afstamt van de oude signaalhoorns van de Romeinen. toen met drie, vier of vijf ventielen. Trots stapte hij met zijn eigen tuba de donderdagavond daarop volgend naar de repetitie in het Patronaat.

Toen Pa met blazen stopte, speelde eerst de oudste zoon Wim op de tuba verder, en toen die vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Sint Michielsgestel een bakkerij begon ruilde Mari, de tweede zoon, zijn bugel in voor de tuba van Pa. Op dit ogenblik ligt dat instrument in Mari·s woning te Sint Michielsgestel. Bij ons thuis lagen op de zolder van het oude huis, dat gelegen was op de grond waar nu het gemeentehuis staat, verschillende instrumenten, eigendom van de fanfare. Als je naar die zolder wilde, moest je eerst een steile trap op, dan een kwartslag draaien om op het bordesje te komen; de plankenvloer ervan zat aan een kant los. Stapte je erop, dan zakte je een centimeter of zeven naar beneden. Je kon er als kind heerlijk op wippen. De dirigent wilde de instrumenten eens bekijken en vooral een goede bugel uitzoeken, die hij in zijn fanfare tekort kwam. Hij liep de trap op, stapte op het bordesje, schrok, schreeuwde iets, deinsde terug en liep weer de trap af. ‘”Marinus”, zei hij toen hij de woonkamer binnenkwam, ”de instrumenten zijn nog in goede staat. Wil jij die bugel meenemen, als je straks naar de repetitie komt?” Enigszins veilig lagen die instrumenten daar dus wel. Het waren trompetten, bugels, hoorns e.a., geen slagwerk, want de fanfare bezat toen nog geen drumband en geen tuba. In ons nieuwe huis (vanaf 1939) op Marktplein 10, lagen geen instrumenten meer. Ze zijn verhuisd naar Harrie Vendelmans, de toenmalig secretaris-penningmeester.

De tweede generatie
Pa kocht niet alleen zijn instrument en bewaarde het op zijn zolder, hij leerde zijn zoons Wim en Mari bugel, tuba, hoorn of trompet bespelen. Mari bijvoorbeeld: Pa ging naast hem staan. Mari met de bugel aan zijn mond. Pa: “do:los; re: het eerste en het derde ventiel indrukken; mi 1 en 2: fa: de voorste; sol: los, lippen!; l en 2 en lippen; si: de middelste en do (een octaaf hoger): los. Het blazen van do, sol la, do was een kwestie van liptechniek. Pa deed dat eerst een paar keer voor, dan Mari; hij luisterde. Nog een keer en nog een keer, Mari kreeg een rood hoofd van deze probeersels; maar Pa, hoe ongeduldig hij ook vaak was, had dan een engelengeduld. Later heeft hij Mari noten leren lezen. Van de drie jongens die Marinus had, was ik de enige die nooit bij een fanfare ben geweest. geen muziekinstrument kon of kan bespelen, behalve dan een mondmuziekske. In mijn gezin heeft het blazen in een fanfare een generatie overgeslagen. Mijn jongste zoon speelde bij Harmonie Sophia in Loon op Zand en later tezamen met zijn vrouw in een band te Beek (L). Merkwaardig is dat noch een van de kinderen van Wim, nóch van Mari in een fanfare of harmonie geblazen hebben.

Betrokkenheid
Ongeveer een half uur voor de repetitie begon, ging Pa naar de opkamer en oefende daar op zijn tuba. Elke keer blies hij dan de tuba-solo uit ‘Dageraad in het Geuldal!’ Toen we nog klein waren en op dat uur al in bed lagen, konden we bij het horen van die volle tuba-klanken zo lekker in slaap doezelen. Na enige jaren kwam hij in het bestuur van de fanfare als secretaris-penningmeester. De notulen werden toen in een schrift geschreven en door de secretaris voorgelezen. Tijdens zo’n vergadering maakte hij enkele notities, werkte ze thuis niet verder uit. De volgende vergadering deed hij alsof hij voorlas, maar improviseerde aan de hand van die notities een smeuïg en vaak geestig verhaal, zodat de andere bestuursleden vergaten op-en aanmerkingen te maken. Meer problemen had hij met het penningmeesterschap, maar zoals ook op andere gebieden moeder hielp hem uit de brand, hield de boekhouding keurig bij en schreef het financieel jaarverslag, zoals zij ook altijd voor de boekhouding van de bakkerij zorgde.

Toen hij gestopt was met blazen en geen bestuursfunctie meer vervulde, werd hij benoemd tot lid van de commissie van Beheer. Hij was nu een soort erelid van de fanfare waarvan verwacht werd dat hij een jaarlijkse donatie schonk (dat was vóór de Tweede Wereldoorlog 10 gulden) en nogal eens een rondje gaf na een repetitie. Tot de Commissie van Beheer behoorden toen ook Martens, arts; Vogels, directeur van de boterfabriek; Smits, burgemeester; Van Mourik. bierbrouwer en vader van Broer, de latere voorzitter en nog enkele belangrijke heren meer.

Van een lid van deze commissie werd ook verwacht. dat hij zoveel mogelijk aanwezig was tijdens repetities en zeker bij serenades, festivals en concoursen. Elke donderdagavond was er repetitie. Pa was er altijd. Dat eiste hij ook van zijn twee zonen Als Mari zich nog niet verkleed had voor de repetitie, terwijl die over een paar minuten zou beginnen, dan vroeg hij zo langs zijn neus weg: “Weette gij niet dat het donderdag is?” Of als Mari geen zin had of wanneer hij vond dat er gewerkt moest worden, dan kwam Pa kwansuis eens kijken en dan vroeg hij: “Moette gij niet naar de repetitie. Luister goed jongen, ik zeg jou één ding en dat zijn er geen twee: als ge op zondag niet naar de kerk gaat, dat is zonde, maar als ge op donderdag niet naar de repetitie gaat, dat is doodzonde.” En dan ging Mari maar gauw naar boven zich omkleden en liep hij op een draf naar het patronaat. Of als hij
met een serenade mee moest en wat te laat was, dan wachtte hij tot de fanfare bij ons huis langs kwam en sloot hij bijna onopvallend bij de stoet aan.

Witte Donderdag is ook een donderdag, dus normaal repetitie. Piet van der Linden hoorde op de eerste Witte Donderdag van zijn pastoraat luide muziek: de pastorie lag immers niet ver van het patronaat. Met opgetrokken zeil liep hij ernaar toe. gooide de deur van het repetitielokaal wagenwijd open en brulde met rood hoofd: ‘Stop! Stop! Schaamt u zich niet om muziek te maken, nu Onze Lieve Heer zo slecht ligt?” De repetitie werd gestaakt: Pa kalmeerde de pastoor wat, suste de verontwaardiging van enkele muzikanten die niet pikten wat de pastoor verbood. Ze zijn niet onmiddellijk en rechtstreeks naar huis gegaan. Ze belandden bij Mien van Doorn en bleven daar zo lang als de repetitie normaal zou duren. Dirigent van Erp fietste elke donderdag van Oss naar Lith en omgekeerd. Vóór de repetitie kwam hij altijd bij ons aan, vooral als het slecht weer ·was, dan moest hij zijn regenpijpen en regenjas uitdoen en voor de oven laten drogen. Hij dronk dan één of twee kopjes koffie met koek en dan vroeg hij aan Pa: “Marinus, ge komt toch ook naar de repetitie?” Pa knikte. “Dan ga ik nu naar de leerlingen toe”. Die leerlingen had Van Erp zo het nodige bijgeleerd. Na deze repetitie tot vóór die van de grote fanfare ging hij bij Mien van Doorn enkele neutjes pakken.

Serenades en festivals
Als de fanfare uittrok voor een serenade. dan liep de Commissie van Beheer op een ereplaats n.l. vlak achter het vaandel: de korte en ronde burgemeester Smits, de goedlachse Vogels: Pa kaarsrecht en altijd de regen- of overjas over zijn arm. Zo hadden alle leden van deze Commissie wat, de één dit de ander dat. De fanfare kwam eraan, blies een mars: als ze stilstond weer een mars en dan sprak de voorzitter de jubilarissen toe. Dan werd er door iemand van de familie een dankwoord gesproken, een gesloten couvert overhandigd en enkele consumpties aangeboden. Voorzitter Broer van Mourik had veel moeite met die toespraken. Hij werd er nerveus van, wat je duidelijk kon zien, want zijn knieën knikten zo, dat de pijpen van zijn pantalon een groot espenblad leken: hij was kortgezegd wat beverig. Pa stond dan altijd in de nabijheid van de voorzitter. Van Mourik begon eens zijn speech in Maren met: “Geachte familie Den Blom”. Pa schopte tegen zijn schenen, siste tussen zijn tanden: ”Van Roosmalen”. Van Mourik: “Eh, eh, eh, ik bedoel: Geachte familie van Roosmalen”. Burgemeester Smits met het vaandel. Waar brouwerij ‘Het Hert· van Van Mourik bron: Dames Smits een café had bijvoorbeeld in Geffen. Heesch. Herpen, Nistelrode. Nuland. Schaijk e.a daar trok de fanfare naartoe om deel te nemen aan een festival. Sint Michielsgestel was op deze regel een uitzondering. Pa was er altijd bij. Om ongeveer 13.00 uur werd de voorzitter, secretaris en leden van de Commissie van Beheer ontvangen op het gemeentehuis aldaar. Er werd een welkomstdrankje geserveerd, meestal één of twee glaasjes ·wijn. Het kon op zo’n festival gebeuren dat je pas om half vijf hoefde te blazen, terwijl je al om één uur aanwezig moest zijn. Waar bleef je dan al die tijd? In de kroeg natuurlijk. Ook de dirigent deed dat, het bestuur en de Commissie van Beheer.Om half vijf werd er wel geblazen, maar het klonk wel eens vals of het tempo was te traag, omdat de dirigent zijn armen niet zo snel op en neer kon krijgen. Op deze regel was Sint Michielsgestel geen uitzondering, wel op de regel: de relatie tussen ‘Het Hert’, de cafés in die plaatsen en de fanfare Sint Lambertus. De relatie tussen Lith en Sint Michielsgestel was van familiale aard. De voorzitter van de harmonie Sint Michael was de oudste broer, Grad, van onze Pa. Als Sint Michielsgestel Lith bezocht, dan kwam de hele harmonie bij ons thuis; moeder had een uitstekende koffietafel klaar gemaakt o.a. ook met gebakken eieren.

Serenades voor Marinus en Fien
Twee keer is voor Marinus en Fien een serenade gebracht door de fanfare. De eerste keer was dat bij hun zilveren, de tweede keer bij hun robijnen huwelijk. Ze waren getrouwd op 17 juli 1920. De feesten rond de zilveren bruiloft duurden drie dagen; ‘s-zondags voor gezin en familie ’s maandags voor de buurt en de zaterdagavond daarop voor de fanfare. De feesten speelden zich af in de schuur en in de bakkerij. Het was pal na de oorlog, de vrede was een maand daarvoor getekend. Wim en Mari gingen naar de boeren en zeiden: “Bij ons zijn ze 25 jaar getrouwd; we zouden graag eieren en boter kopen, dat hebben we nodig om taarten te bakken”. “Zijn ze bij jullie 25 jaar getrouwd? Voor jullie Pa? Neem maar mee, dat is dan ons cadeautje”. Zo ging het elke keer. Vlak na de oorlog was er al wel voldoende drank: bier, jenever, cognac, wijn. Maar voor de 35 leden van de fanfare had moeder niet voldoende glaswerk. Ze had met Pa afgesproken: “Zeg tegen de fanfare dat ze niets tekort zullen komen op ons feest, maar wèl dat ze een glas of een borreltje meebrengen naar gelang ze willen drinken”. Toen de fanfare binnenkwam had ieder lid een bierglas of borreltje bij zich, enkelen allebei. Sjef de smid droeg elke avond voor: het schoolmeestertje bijvoorbeeld, “Ik leer de kinderen spellen; school: grote Su, kleine su, Hu, hoepeltje, hoepeltje, Lu”. Trouwens Harrie van Heek, onze buurman en kunstsmid, deed niet onder voor Sjef. Pa had zich goed voorbereid op zijn dankwoord tot de fanfare, die behalve at en dronk, ook er op los speelde. Hij was ervan uitgegaan dat de voorzitter Broer van Mourik zou speechen. Tijdens die voorbereiding had hij bedacht, hoe hij Broer zou plagen, een beetje op een geestige, nooit kwetsende manier ertussen nemen. Het viel hem dan ook goed tegen, dat niet Broer, maar kapelaan van Lieshout of was het kapelaan Peters het woord nam.(9) Toen ze 40 jaar getrouwd waren, vroeg Pa aan mij: “Er moet gespeecht worden tot de fanfare na de’ serenade. Zoude gij dat niet willen doen namens mij en ons Moeder?” “Nee”, antwoordde ik, “”dat doe ik niet, Pa”. Hij keek me van opzij enigszins verbaasd aan. “En waarom doede gij dat niet?” Omdat gij dat veel beter kunt’. “O”, was zijn enige reactie. Onder de serenade zag ik hem bijna hardop denken, soms prevelde hij enkele woorden. Toen het tijd was voor het dankwoord, hield hij een toespraak die zo’n diepe indruk maakte op alle omstanders, ook op de muzikanten, dat het stiller was dan stil. Iedereen luisterde aandachtig en lachte op het goede moment. Ik keek naar Moeder, mijn broers en zusters, ze glunderden. En toen ik Moeder vroeg, hoe ze zijn speech vond, antwoordde ze: “Wat kan hij het toch mooi en goed zeggen”. En tegen Pa: “Zie je nou wel, het was toch prima, uit de kunst”. “Ja”, zei hij, “ik had een douwke nodig”.

Tenslotte
Ook al had de fanfare zijn hart gestolen, hij hield ook van toneel, wielrijden, biljarten, kaarten. Van al deze verenigingen of clubs was hij actief lid, vaak ook bestuurder. Toneel bijvoorbeeld speelde hij graag en vertolkte vaak belangrijke rollen. Zijn zonen en dochters hebben hem daarin nagevolgd, één zelfs veertig jaar lang. Later was hij voorzitter van deze vereniging, waar ook ik lid van was. Ik kan dus getuigen, dat hij de algemene ledenvergaderingen soepel, maar zakelijk leidde. Hij wist menigmaal met tact een conflict tussen pastoor van Laarhoven en een lid, tussen een lid en de regisseur op te lossen tot tevredenheid van beide partijen. Op 26 januari 1961 werd Marinus van Doorn begraven. Het was ontzettend koud en alleen in jacquet zonder overjas, begon je op het kerkhof staande over je hele lichaam te rillen. De rouwmuziek die de fanfare speelde, ging door merg en been; veel droefheid kwam daardoor los en niet alleen bij de naaste familie, maar ook bij vele dorpsgenoten die met zo ontzettend velen naar de kerk en het kerkhof waren gekomen, schoot het gemoed vol. Op zijn gedachtenisprentje staat: “Een goed mens is van ons heengegaan uit het gemeenschaps- en parochieleven, een volijverig lid en stuwer in verschillende acties. De fanfare verliest in hem een ijverig medewerker. Bij begrafenissen van anderen had hij de laatste jaren van zijn leven hardop voorgebeden. Pa was een goed mens, een mens met veel gevoel voor humor; hij was een lieve vader: een actief man in verscheidene verenigingen, maar bovenal in de fanfare. In 1966 bij gelegenheid van het 45-jarig bestaan van de fanfare Sint Lambertus werd Pa postuum onderscheiden door de fanfare met een tinnen bord en oorkonde voor de vele verdiensten die hij dit muziekkorps bewezen had.