Selecteer een pagina

Een repetitie van een 100-jarige dorpsfanfare, verteld in veertien verhalen. Door Ruben Gielis. 

 

Bij het inzetten van de eerste noot van Bist Du Bei Mir denk ik (86 jaar) nog even aan wat de tandarts vanmiddag zei. Hij vindt me te oud voor een nieuw kunstgebit en raadt me af om met mijn huidige exemplaar nog muziek te maken. Daar ben ik van geschrokken. Blazen op mijn geliefde bugel doe ik al tien jaar niet meer, maar ook mijn bas aan de wilgen hangen en daarmee helemaal stoppen met de muziek, dat komt niet in mijn woordenboek voor. Ook vanavond moest ik er zijn. Ik wist dat Bist Du Bei Mir op de lessenaar zou komen, als erelid weet je dat soort dingen, en daarvoor ben ik speciaal naar de repetitie gekomen. Geïrriteerde kaken doen er dan even niet toe.
Wat heb ik dit nummer vaak gespeeld in de 75 jaar dat ik bij deze club rondloop. Zeker al bij vier begrafenissen, waaronder die van mijn vader. Het is een traditie dat bij uitvaarten van ereleden dit stuk wordt gespeeld.

De uitvoering van vorig jaar was de meest bijzondere voor me, toen ik tijdens de uitvaart van de vader van de baritonist, vanwege de bijzondere gelegenheid, weer voor één keer bugel speelde. We hebben bijna ons hele leven als bugelisten naast elkaar gezeten in het orkest, maar onze karakters botsten geregeld. Dat is best ingewikkeld, als muzikale buren. Ik herinner me nog goed dat ik de eerste vrouwelijke voorzitter van een vereniging in het dorp zou worden en dat tijdens de ALV waarop dat werd besloten de irritatie daarover zo groot werd bij hem, dat hij dreigde zijn hele bakkersfamilie terug te trekken uit de fanfare. Zo’n zelfde soort irritatie was er toen ik de kornettist voordroeg als mijn opvolger. Die kwam van buiten het dorp en kwam uit mijn koker, dat kon niet goed zijn. Er waren hele periodes dat we ‘not on speaking terms’ waren met elkaar. Dat hij, als we met een groepje aan de bar stonden, iedereen iets te drinken aanbood, behalve mij.

En toch hebben wij altijd van elkaar geweten dat we het beste voor hadden met de fanfare. In de weken voor zijn dood hebben we dat allebei gevoeld, dat weet ik zeker. Dat werd bevestigd tijdens zijn begrafenis, toen ik tijdens Bist Du Bei Mir zo intens zijn positieve aanwezigheid voelde, en voelde hoe verweven wij allebei zijn met deze vereniging.

Ik zit hier nu met tranen in mijn ogen als ik de bugelist, mijn zoon, de partij hoor spelen die de vader van de baritonist en ik zoveel jaren hebben gespeeld. Hoe lang duurt het nog voordat dit stuk voor mij wordt gespeeld?

Over de doden niets dan goeds, waarschijnlijk ook als het zover is bij mij. Maar ik ben me bewust dat er ook over mij best wat kan worden opgerakeld. Vooral in de tijd dat we met het botenbedrijf ook hoofdsponsor waren van de fanfare, gebeurden er dingen die wenkbrauwen deden fronsen. Zoals met de Russen, waar we veel boten aan verkochten. Als zij in het dorp waren, nodigde ik ze uit voor onze concerten, waarbij hun drankgebruik vaak uit de hand liep. Ook al betaalde ik hun consumpties achteraf altijd netjes met mijn bedrijf, ik snap dat hun en mijn gedrag weerzin opwekte bij de bakkersfamilie en andere leden.

Vrijgevochten types zijn wij, dat zie ik ook terug bij mijn zoon de bugelist en mijn kleindochter de sopraan saxofonist. Maar ook bij hen zie ik terug dat dat niet altijd een zegen is. Mijn zoon, deels bewust in vrijheid opgevoed maar deels ook een gedwongen vrije vogel omdat mijn man en ik gewoonweg non-stop met ons botenbedrijf bezig waren, zie ik nog iedere dag worstelen met het leven zonder duidelijke kaders. En niet toevallig zie ik hetzelfde gebeuren bij mijn kleindochter. Stiekem hoop ik dat ze gelukkig blijft met de slagwerker, want hij kan haar de rust geven die ze zelf waarschijnlijk niet kan vinden. Maar toch zal ik dat haar nooit zeggen, ze moet dat zelf uitvinden.

Er is zoveel waarover ik nog iets kan zeggen, en waarmee ik me nog kan bemoeien. Zoals de trompettist. Het is zo goed dat zij vanuit de stad hier naar toe is gekomen. Ik ben altijd een voorstander geweest van een open vereniging. Maar ik heb de kracht niet meer om haar te laten merken hoe blij ik ben met haar komst. En natuurlijk heb ik ook een mening over de spanningen tussen de bariton saxofonist en de jubileumcommissie, maar ik heb de energie niet om me daarin te mengen. Vandaag heb ik al mijn energie gespaard voor Bist Du Bei Mir. Ik weet dat er in dit stuk zo dadelijk een moment komt waarin de bariton saxofonist en ik dezelfde muzikale lijn spelen. Ik zal dan alles geven wat ik heb om met mijn muziek contact met hem te leggen, zodat hij merkt dat ik aan hem denk en met hem bezig ben.